| |
ADVIES KLANKBORDGROEP MOLENWATER
Inleiding Het doel van de drie bijeenkomsten van de Klankbordgroep Molenwater (verder KBG) was volgens het college van B&W ‘te beluisteren hoe de inwoners van Middelburg aankijken tegen de opdracht van de raad om te komen tot een omvangrijk stadspark met daarin nieuwbouw voor een theater’ (De bijeenkomsten zijn gehouden op 4 november en 9 december 2010 en op 11 januari 2011).
Van de zijde van het college van B&W is wethouder De Graaf steeds, en wethouder De Vries alleen op 9 december 2010, aanwezig geweest bij de bijeenkomsten, bijgestaan door mevrouw W. van de Weijer, de heer P. Wisse en de heer J. Kouwer. Daarnaast waren steeds vijf/zes medewerkers van Venhoeven c.s. en Landschapsarchitecten OKRA aanwezig. De bijeenkomsten van de KBG werden voorgezeten door de heer Paul Buitenhek.
Aan het einde van de derde bijeenkomst heeft de voorzitter van de KBG voorgesteld dat de KBG in één of meer bijeenkomsten vóór 2 februari 2011 een advies aan het gemeentebestuur opstelt. Die bijeenkomsten hebben plaatsgevonden op 18 en 24 januari. Het resultaat van die bijeenkomsten is dit advies.
Alvorens in te gaan op de door de architectenteams gepresenteerde plannen, zal aandacht besteed worden aan het proces dat geleid heeft tot dit advies.
Het proces
De KBG heeft ernstig getwijfeld of zij überhaupt een advies zou uitbrengen, omdat zij niet het gevoel heeft (gehad) au sérieux te worden genomen door het college. De achtergrond van die twijfel is de volgende.
Uitgangspunt van de KGB was het raadsbesluit van 1 juli 2008. In dat besluit is vermeld dat er in het Molenwatergebied een omvangrijk stadspark moet komen in combinatie met theater en cultuur en een parkeervoorziening. Tevens is daarin opgenomen dat voor het (nieuwe) theater het programma van eisen (verder PvE) geldt, zoals dat is vastgelegd in hoofdstuk 2 van het voorstel van het college van B&W van 2 juni 2008.
De overgrote meerderheid van de KBG heeft tijdens de bijeenkomsten steeds, binnen de genoemde kaders, op positieve en constructieve wijze invulling gegeven aan haar taak. Maar, elke kritische opmerking vanuit de KBG werd van de zijde van het college stelselmatig afgedaan als niet ter zake doende, omdat daarmee het genomen raadsbesluit ter discussie zou worden gesteld. Deze houding is voor een aantal (nieuwe) leden van de KBG aanleiding geweest niet langer aan de KBG deel te nemen. Het afhaken van een aantal leden van de KBG komt dus niet, zoals wethouder De Vries wil doen geloven, voort uit onvrede van die leden met een te kritische houding van de KBG, maar juist uit frustratie en onmacht over de houding van het college tegenover de KBG.
Op 10 januari 2011 hebben 19 van de 21 leden van de KBG uitgebreid gemotiveerd aan het college van B&W verzocht de bijeenkomst van 11 januari 2011 uit te stellen totdat (voor de KBG) duidelijk was of en, zo ja, welke gevolgen de besprekingen van het college met Theater B.V. zouden kunnen hebben voor het PvE voor het nieuw te bouwen theater, omdat het PvE immers de ‘footprint’ –de omvang- van het gebouw bepaalt.
Dat verzoek is ongemotiveerd door het college afgewezen. Tijdens de KBG bijeenkomst van 11 januari heeft wethouder De Graaf, namens het college, een, naar het oordeel van de KBG, ontoereikende en onbevredigende toelichting gegeven. De relatie werd erkend, maar van enige consequentie zou geen sprake zijn. Hetgeen zijn collega-wethouder Aalberts aan diverse KBG-leden en de PZC had verteld moest, volgens wethouder De Graaf, maar genomen worden ‘voor wat het waard was’, welke opmerking door de KBG niet anders is begrepen dan dat een wethouder niet op zijn woord geloofd moet worden.
Bij de KBG werd door het voorgaande de twijfel over de mate waarin zij door het college serieus werd genomen groter en ontstond het gevoel dat de KBG slechts diende als klapvee of als “zaalvulling”, zoals door een lid van de KBG tijdens de bijeenkomst van 11 januari werd opgemerkt.
Bij het voorgaande speelt tevens een rol dat in september 2009 het advies van de KBG over de architectenkeuze niet is afgewacht door het college. De beslissing daarover was al genomen, voordat de KBG haar advies had uitgebracht.
Klap op de vuurpijl in dit kader was uiteraard de opmerking van wethouder De Vries tijdens de raadscommissie Ruimte van dinsdag 17 januari 2011, waarbij hij de KBG wegzette als een club lastpakken die steeds maar weer zaken ter discussie stelde, die door het college buiten de orde waren verklaard. Naar de beleving van de KBG was dat een onterechte schoffering van de KBG. Tevens meldde de wethouder (meermalen) tijdens diezelfde commissievergadering dat hij al in het bezit was van het advies van de KBG! Dienaangaande werd hij niet gecorrigeerd door de ook aanwezige wethouder De Graaf en/of de projectleider de heer J. Kouwer, die beiden wisten dat zijn mededeling apert onjuist was. De KBG zag en ziet dit als een loopje met de waarheid.
Deze ervaringen hebben dus twijfel gezaaid bij de KBG over zin en nut van het indienen van een advies.
De KBG heeft toch besloten een advies te geven, omdat zij zichzelf wel au sérieux neemt. De KBG bestaat uit een verzameling betrokken burgers met een gezond kritische mening over plannen met zeer ingrijpende gevolgen voor een kwetsbaar gebied als het Molenwater. De KBG vindt bovendien dat het gemeentebestuur van Middelburg (college en raad), alsmede de burgers van Middelburg recht hebben de mening te kennen van de speciaal voor dit traject ingestelde KBG.
Inhoudelijk oordeel
Op basis van het Visieontwerp van Venhoeven c.s. van september 2009, dat voldoet aan het gestelde PvE, is met het nieuw te bouwen theater in het Molenwatergebied ‘geschoven’ om de meest optimale locatie daarvoor te bepalen. Aanvankelijk waren er 5 mogelijke varianten, waarbij variant 4 de locatie in het Visieontwerp is. Op grond van hetgeen in de KBG naar voren is gekomen is geconcludeerd dat de varianten 1 tot en met 3 om verschillende redenen afvielen, waarvan de belangrijkste was dat het gebouw te dicht ten opzichte van de omringende huizen zou staan. Tijdens de laatste KBG bijeenkomst heeft Venhoeven c.s., binnen het kader van het PvE, een nieuwe variant, variant 6, gepresenteerd, n.a.v. de opmerkingen en suggesties vanuit de KBG. Die variant is op een maquette weergegeven (Gebleken is dat op die maquette onder meer de grootte van de taluds niet juist is weergegeven en dat de bomen in de Koepoortlaan aanzienlijk te hoog zijn voorgesteld).
Hieronder zal niet nader ingegaan worden op de varianten 1 tot en met 3, omdat geen daarvan realistisch is (Noot: Deze varianten zijn na het slot van het KBG-advies weergegeven). Allereerst zullen een aantal opmerkingen gemaakt worden die betrekking hebben op alle gepresenteerde varianten, waarna de varianten 4 tot en met 6 nog afzonderlijk zullen worden besproken. Daaraan voorafgaande nog twee opmerkingen:
1. Allereerst wil de KBG benadrukken dat zij waardering heeft voor het werk dat de architectenteams hebben verricht, gelet op het PvE waaraan zij zich hadden te houden. Naar het oordeel van de KBG hebben zij ook getracht zoveel mogelijk rekening te houden met de opmerkingen en suggesties van de KBG.
2. Hieronder zal nauwelijks tot niet worden ingegaan op de wijze waarop het overblijvende groen, na realisatie van het nieuwe theater, kan worden ingevuld, omdat die invulling onder meer afhankelijk is van de locatie van het nieuwe theater.
De algemene opmerkingen die betrekking hebben op alle varianten:
. De schaal van het gebouw is te groot en te massaal voor de plek en omgeving waarin het zou moeten worden gesitueerd. Het gebouw is domweg te dominant in de beperkte ruimte van het Molenwatergebied (De KBG denkt dat de realisatie ook zal leiden tot een aanzienlijk planschade bij omwonenden). Dat blijkt zonneklaar als gekeken wordt naar de maquette. Alleen al de toneeltoren met een hoogte van 25 meter zal ruimschoots boven alle gebouwen en bomen in de omgeving uitsteken.
. De noodzaak voor het realiseren van 190 extra parkeerplaatsen (in de vorm van een parkeergarage onder het theater) ontbreekt, gelet op eigen mededelingen van het college dat er in (de omgeving van) het Molenwatergebied (ook bij theateravonden) voldoende parkeergelegenheid is en dat voorkomen moet worden dat verkeer vanaf de N57 naar het Molenwatergebied gaat.
. Bij realisatie van de parkeergarage zal die, wil die exploitabel zijn, niet alleen bestemd zijn voor de bezoekers van het theater (Is dat wel het geval, dan is de realisatie van de parkeergarage niet nodig, gelet op het aantal reeds bestaande parkeerplaatsen; zie ook de voorgaande bullit), hetgeen tot gevolg heeft dat onder meer de verkeersdruk in het Molenwatergebied aanzienlijk zal (moeten) toenemen. Los van de vraag of de wegen in het Molenwatergebied op die toename berekend zijn, is die toename in een woonwijk als het Molenwatergebied, waarin ook twee basisscholen zijn gesitueerd, volstrekt onwenselijk. De bestaande verkeersonveiligheid in het Molenwatergebied zal naar verwachting sterk toenemen.
. Ten aanzien van bereikbaarheid van het te realiseren theater zijn de architecten, zo bleek (op de bijeenkomst van 11 januari), er ten onrechte van uitgegaan dat de Koepoortbrug voor de aan- en afvoer van auto’s geschikt is.
. De te realiseren parkeergarage zal, zo deelde de heer Venhoeven mee, op natuurlijke wijze (moeten) worden geventileerd (Enige andere keuze zal aanzienlijke financiële consequenties hebben, volgens de heer Venhoeven, die buiten het budget vallen). Daartoe zullen rondom het gebouw vele ventilatieschachten in de taluds worden aangebracht (Die zijn op de maquette en/of de presentaties niet te zien). Dat leidt niet alleen tot stank- en lawaaioverlast in het gebied, maar schaadt ook het (gehele) aanzicht.
. Indien het gebouw niet (ook) overdag gebruikt gaat worden voor allerlei activiteiten en ook niet beschikt over een uitgebreide horecafunctie die niet beperkt is tot enkel de theateravonden, zal het gebouw door de grootte/omvang buiten de theateruren een ‘doods’ spookgebouw zijn, hetgeen eveneens onwenselijk is.
. De bestaande groenstrook tegenover de huidige schouwburg zal geheel verdwijnen, hetgeen niet wenselijk is.
. Een goede biotoop voor de (beschermde) rugstreeppad wordt niet gerealiseerd. In dit verband wordt verwezen naar de aan dit advies gehechte Visie van de Amfibieën Werkgroep Molenwater, waarin het voorgaande is uitgewerkt.(Noot: De Visie van de Amfibieën Werkgroep Molenwater is hieronder weergegeven)
Variant 4

Naast de genoemde algemene opmerkingen plaatst de KBG nog de volgende opmerkingen bij deze variant:
. Het totale gebied wordt door deze variant geknipt in vier afzonderlijke groengebiedjes. Van enige samenhang van de afzonderlijke delen is geen sprake, laat staan dat daardoor sprake zou kunnen zijn van een ‘omvangrijk stadspark’.
. De afstand tussen het gebouw en de monumentale bomen van de Koepoortlaan is te klein, waardoor die bomen verloren/dood zullen gaan.
. Voor de bevoorrading van het theater zal ongeveer een derde van de Koepoortlaan moeten worden opgeofferd voor de aanleg van een toegangsweg.
. Door het talud, waardoor de parkeergarage aan het oog wordt onttrokken, zal er tot ongeveer de helft van de Koepoortlaan, gezien vanaf het noorden, een ‘wand’ ontstaan, waardoor enig zicht naar de westzijde van het Molenwatergebied ontbreekt. De Koepoortlaan zal tot ongeveer de helft een ‘loopgraaf’ zijn.
. Van de zijde van het Molenwater (tegenover de huidige schouwburg) zal een (groot) verkeersplein (moeten) ontstaan, met taxi standplaatsen, een parkeervoorziening voor fietsen en de nodige infrastructuur voor auto’s om de parkeergarage in en uit te rijden, alsmede voorzieningen voor de (doorgaans) 18 meter lange theater-trailers (met decorstukken en andere benodigdheden). Een dergelijk verkeersplein past niet in het Molenwatergebied.
Variant 5

Naast de genoemde algemene opmerkingen plaatst de KBG nog de volgende opmerkingen bij deze variant:
. De gehele (infra)structuur van het Molenwater wordt bij deze variant op een onwenselijke wijze aangetast. Zowel het zicht op het Bolwerk als de Koepoort verdwijnt.
. De ingang/toegang voor het laden en lossen van de (doorgaans) 18 meter lange theater-trailers (met decorstukken en andere benodigdheden) zou moeten plaatsvinden ter hoogte van de Koepoort, hetgeen (verkeerstechnisch al) niet realistisch is.
. Als gevolg van verleggen van de weg van het Molenwater, wordt een flink stuk van het groene gebied opgeofferd, hetgeen niet wenselijk is. Daardoor is er tevens geen aansluiting tussen het theater en het overblijvende groen.
· De parkeergarage onder het gebouw zal niet aan het oog kunnen worden ontrokken.
. Voor de realisatie van de parkeergarage zal het noodzakelijk zijn het Molenwater deels te ontgraven (Venhoeven c.s. heeft meegedeeld dat de kosten daarvan niet gedekt worden door het beschikbare budget).
. Doordat het gehele gebouw naar het hoger gelegen Molenwater is verplaatst zal het nog dominanter ogen dan in Variant 4. Vanaf het Molenwater gezien zal het gebouw 1,20 meter hoger zijn.
Variant 6

Naast de genoemde algemene opmerkingen plaatst de KBG nog de volgende opmerkingen bij deze variant, waarin door Venhoeven c.s. getracht is de nadelen van de varianten 4 en 5 weg te nemen:
. Evenals bij variant 4 is de afstand tussen het gebouw en de monumentale bomen van de Koepoortlaan te klein, waardoor die bomen verloren/dood zullen gaan. Het eerste gedeelte van de Koepoortlaan zal opgeofferd moeten worden voor de aanleg van een toegangsweg voor de bevoorrading van het theater.
. Ook bij deze variant verschuift het gebouw grotendeels naar het hoger gelegen Molenwater en zullen er ook ontgravingen moeten plaatsvinden. Het gebouw zal, evenals bij Variant 5 daardoor meer dominant ogen.
. In deze variant is de parkeergarage onder het theater een kwart slag (naar het zuiden) gedraaid in vergelijking met Variant 4. Het gevolg daarvan en de verplaatsing naar het hoger gelegen Molenwater is dat de bij Variant 4 beschreven ‘loopgraaf’ ook bij deze variant aanwezig is.
. Aan de noordzijde van het gebouw zal een verkeersplein (moeten) ontstaan, niet alleen met parkeerplaatsen, maar vooral ook voor de aan-/afvoer van de (doorgaans) 18 meter lange theater-trailers (met decorstukken en andere benodigdheden).
Conclusies en advies
De KBG is zich er terdege van bewust dat op enig moment de huidige schouwburg zal moeten worden vervangen. De KBG is echter van mening dat daarbij geen grote haast is geboden.
Op basis van:
. een inhoudelijke toets van de gepresenteerde varianten en de consequenties daarvan, na realisatie, voor het hele Molenwatergebied,
. de recente ontwikkelingen rondom de invulling van de functie en exploitatie van de
Music Hall en de mogelijke consequenties daarvan voor een nieuw theater (Een unieke combinatie, omdat er voor de schouwburg/het nieuwe theater èn de Music Hall sprake zou kunnen zijn van één exploitant en één programmeur),
. de huidige financiële situatie van de gemeente Middelburg in algemene zin,
. het gegeven dat de huidige schouwburg nog een aantal jaren kan worden gebruikt en
. het gegeven dat er onvoldoende en een verder afkalvend draagvlak is bij inwoners van Middelburg voor de bouw van een nieuw theater in het Molenwatergebied (Zie de exit-poll van de Roosevelt Academy: www.roac.nl/roac/newslist.phtml?p=news&i=352) ,
adviseert de KBG:
1. Dat er een cultuurprofiel wordt bepaald, zodat vaststaat aan wat voor soort podia in Middelburg behoefte is.
2. De verdere uitvoering van het raadsbesluit van 1 juli 2008 op te schorten totdat het onder 1. genoemde cultuurprofiel is vastgesteld en volstrekt duidelijk is of de besprekingen met Theater B.V. over de exploitatie van de Music Hall en/of de huidige schouwburg en/of het nieuw te bouwen theater consequenties kunnen hebben voor de exploitatie van het nieuwe theater (en/of de huidige schouwburg) en/of voor het PvE voor het nieuwe theater en, indien dat het geval is, op basis daarvan een nieuw besluit te nemen over het (eventueel) nieuw te bouwen theater.
3. In ieder geval het PvE in het raadsbesluit van 1 juli 2008 aan te passen, waardoor een (aanzienlijk) minder dominant gebouw in het Molenwater hoeft te worden gerealiseerd, dan wel te besluiten de locatie van het nieuwe theater te wijzigen. Varianten 1 tot en met 3
Bijlage: Visie van de Amfibieën Werkgroep Molenwater
Visie van klankbordgroeplid Petroesjka Sterk op het huidige theater/park ontwerp t.b.v. de rugstreeppad
18-1-2011
In de Klankbordgroep zit ik mede namens de Amfibieën Werkgroep Molenwater om het verblijf van de zwaar beschermde rugstreeppad, die in het Molenwaterpark al sinds de opening van Miniatuur Walcheren binnen de Veste van Middelburg voorkomt, te waarborgen.
Mede namens amfibieëndeskundigen Kees Musters en Catharina van der Slikke kan ik u mee delen dat wij hoogst verbaasd zijn dat er op geen enkele manier in het “park”gedeelte rekening is gehouden met de rugstreeppad.
In de opdracht van de klankbordgroep (geformuleerd op 13 februari 2009) aan de landschapsarchitecten, is meegegeven:
. kies een zodanige inrichting van het park dat het geschikt is (blijft) als biotoop voor beschermde dieren die nu op deze plek voorkomen (indien dit absoluut onmogelijk is dient een plan opgesteld te worden voor verplaatsing van de beschermde populatie).
Hierbij dient de kanttekening gemaakt te worden dat de rugstreeppad op grond van de Flora en Fauna wet zodanig zwaar beschermd is dat er enkel sprake kan zijn van het verplaatsen van de huidige populatie als er sprake is van een zwaar maatschappelijk belang. In onze ogen zijn er genoeg opties open voor het bouwen van een nieuw theater op andere locaties buiten het Molenwatergebied. Wij betwijfelen dan ook of het op grond van de Flora en Fauna wet wel mogelijk zal zijn de populatie te verplaatsen aangezien met het bouwen van een theater ons inziens geen zwaar maatschappelijk belang gemoeid is.
Of het ontbreken van een juist biotoop in het ontwerp ligt aan het ontbreken van informatie van de kant van de gemeente of onwetendheid bij de landschapsarchitecten weten we niet. Feit is wel dat de rugstreeppad regelmatig binnen de KBG ter sprake is geweest. Het ontwerp zoals het mij dinsdag 11 januari op een maquette is getoond, is absoluut onvoldoende. En teleurstellend omdat er kennelijk geen enkele moeite door de landschapsarchitecten is gedaan terwijl dit nadrukkelijk staat in de opdracht zoals die aan hen is gegeven.
Om een idee te geven: De inrichting dient te voldoen aan de volgende basisvoorwaarden:
1. Er moet voldoende leefruimte zijn om voedsel te vinden. Rugstreeppadden zoeken hun voedsel in open, kale, onbeschaduwde gebieden
2. Aanwezigheid van specifiek voor de rugstreeppad ingerichte waterpartijen voor de voortplanting. Geschikte voortplantingplassen voor rugstreeppadden zijn
1. ondiep (ca 20 cm, zeker niet dieper dan 50 cm)
2. onbegroeid
3. zonnig, dus onbeschaduwd
4. bij voorkeur opdrogend in de nazomer
5. bij voorkeur 2 wateren om risico´s (van bijv. vervuiling) te spreiden
3. Vlak bij de voortplantingplassen moet voldoende lage begroeiing te vinden zijn om in te schuilen bij gevaar
4. Voor de overwintering moeten er plekken zijn boven grondwaterniveau bestaande uit rul materiaal (zand en puin afgedekt met border)
De waterpartij zoals de landschapsarchitecten nu voor ogen hebben, is te groot, te beschaduwd, is voorzien van beplanting en in een “kale omgeving” (zonder lage begroeiing).
Het ontwerp zoals het er nu ligt is niet geschikt voor de rugstreeppad.
Mochten er bouwwerkzaamheden plaats gaan vinden op het terrein van voormalig Miniatuur Walcheren dan moet ook nagedacht worden over een plan van aanpak.
De gemeente Vlissingen is momenteel bezig met bureau Waardenburg. Dit bureau heeft een rapport geschreven waarin bruikbare voorbeelden staan hoe een biotoop ingericht dient te worden. Wij hopen dat de landschapsarchitecten hier serieus studie naar gaan doen. Tot die tijd kunnen wij niets anders doen dan het ontwerp afkeuren.
Mede namens, Kees Musters en Catharina van der Slikke,
Petroesjka Sterk
|